Sluiten
Thuis in
uw dossier

Stress en inspanningsincontinentie

30-11-2017

Iedere dag een paar druppels verliezen of een aantal keer per week wat meer. Vooral bij hoesten, lachen, niezen en sporten. Veel vrouwen hebben er last van, denken dat het erbij hoort en doen er dus niks aan. Dat is jammer, want vaak zijn deze klachten heel goed te behandelen.

Als je urine verliest bij bijvoorbeeld hoesten, tillen, hardlopen, fietsen, vrijen of sporten, noemen we dat stressincontinentie of inspanningsincontinentie. Het komt voor bij meer dan 50% van de vrouwen, van jong tot oud. Vaak komt het doordat de bekkenbodem en sluitspier van de plasbuis beschadigd zijn. Vergelijk je blaas en plasbuis met een ballon die je niet dichtgeknoopt hebt, daar loopt lucht zo langs naar buiten. En zo sluit je blaas dus ook niet goed meer en kan je urine verliezen.

Hoe kom je eraan?

De beschadiging kan onder andere komen door bevallingen, ouder worden en overgewicht.

Hoe kom je er vanaf?

Fysiotherapie kan helpen, het beste is dan om naar een geregistreerd bekkenfysiotherapeut te gaan. Een andere mogelijkheid is een operatie waarbij de gynaecoloog een bandje onder de urinebuis plaatst. Maak een afspraak bij je huisarts om je klachten te bespreken. Samen bepaal je dan of een verwijzing naar de bekkenfysiotherapeut en/of gynaecoloog nodig is.

Leefregels: wat helpt en wat niet

Niet: een beetje plassen, stoppen, en weer een beetje plassen.

Wel: oefeningen om je bekkenbodemspieren sterker te maken onder begeleiding van een geregistreerd bekkenfysiotherapeut.

Wel: zitten op de bril tijdens het plassen. Dan kun je je bekkenbodemspieren ontspannen en goed uitplassen.

Bij de huisarts

De huisarts onderzoekt of je blaas, baarmoeder en spieren eromheen normaal aanvoelen. Bij een inwendig onderzoek vraagt de arts of je de bekkenbodemspieren kunt aanspannen en weer ontspannen. Dit zijn de spieren die je gebruikt wanneer je je plas ophoudt of juist laat lopen. Zo kan de arts beoordelen of je de juiste spieren kunt aanspannen en ontspannen om controle over de blaas te houden.

Samen met de huisarts bekijk je of bekkenfysiotherapie kan helpen. Ook kan de huisarts je verwijzen naar de gynaecoloog.

Bij de bekkenfysiotherapeut

Een bekkenfysiotherapeut neemt met een uitgebreide vragenlijst alles met je door rondom plassen, ontlasting en eventueel ook seksualiteit. Hierna doet ze een inwendig onderzoek waarbij ze kijkt hoe je bekkenbodemspier functioneert. Ze geeft uitleg over hoe je bekkenbodemspier werkt. Vervolgens krijg je oefeningen. Het kan zijn dat de bekkenfysiotherapeut een klein apparaatje (zo groot als een tampon) gebruikt om te meten hoe de oefeningen gaan en of het beter gaat. Samen met de fysiotherapeut bekijk je hoeveel behandelingen voor jou zinvol zijn.

Bij de gynaecoloog

In een gesprek over je klachten, maak je de keuze voor fysiotherapie (als je dat nog niet gedaan hebt) of een operatie. Je kunt altijd eerst voor fysiotherapie kiezen en later alsnog voor een operatie.

Het plaatsen van een bandje

Het bandje heet een tension free vaginal tape (TVT) en er zijn diverse soorten bandjes die geplaatst kunnen worden. Bij de operatie maakt de gynaecoloog onder de plasbuis een kleine snede en eventueel twee kleine sneetjes boven het schaambeen of in de liezen. Door de opening plaatst de gynaecoloog het bandje onder de plasbuis. Het bandje geeft steun. Als je daarna druk zet, bijvoorbeeld bij het sporten, hoesten of tillen dan drukt het bandje de plasbuis dicht.

De operatie doen we met een plaatselijke verdoving, een ruggenprik of eventueel onder algehele narcose. De operatie duurt ongeveer 20 minuten. Afhankelijk van de soort verdoving kun je dezelfde dag weer naar huis. Na de operatie heb je weinig pijn. In de weken na de operatie vergroeit het bandje met het weefsel eromheen en geeft het de steun die je nodig hebt. Het bandje heeft tijd nodig om te vergroeien. In die periode moet je geen zwaar lichamelijk werk doen of sporten.

En het resultaat?

Ongeveer 75% van de vrouwen heeft na de operatie geen ongewild urineverlies meer. Bij 90% is er een duidelijke verbetering van de klachten. Bij 6% helpt de operatie minder goed. En bij 4-6% kunnen problemen met plassen ontstaan die over het algemeen goed op te lossen zijn.