Sluiten
Mijn
Spaarne
Gasthuis

Oncologie onderzoek: perpetuum mobile

19-4-2021

Bij het Spaarne Gasthuis lopen circa 40 oncologie-studies, de meeste in samenwerking met academische ziekenhuizen en/of beroepsverenigingen. Dankzij wetenschappelijk onderzoek is veel vooruitgang geboekt, maar er valt ook nog veel te winnen. Ideaal gezien zou elke patiënt in onderzoek moeten, maar dat kan natuurlijk niet. Aart Beeker, internist hemato-oncoloog, en Ilse Houtenbos, internist hematoloog, leggen uit wat wel kan.

 
Foto’s: Aart Beeker en Ilse Houtenbos

Oncologie is een onderzoeks-intensief vakgebied. Wetenschappelijke studies zijn er in alle soorten en maten, groot- en kleinschalig, fundamenteel en toegepast, met en zonder inclusie van patiënten, gericht op genezing, pijnverlichting of levensverlenging, maar ook op bijvoorbeeld kosteneffectiviteit. Houtenbos: ‘Veel onderzoek is medicatie-gerelateerd. Om daar klinisch significante resultaten uit te halen, heb je grote groepen patiënten nodig. Soms is dat lastig, de definitie van een patiëntcategorie wordt steeds verder verengd. Om dan toch relevante aantallen te kunnen halen, kunnen we bijna niet zonder samenwerking met andere ziekenhuizen.’

Eigen kracht

Niet alleen de steeds verdere finetuning in de onderzoekspopulatie brengt de noodzaak tot samenwerking, het is vooral ook de wil bij oncologen om ‘meters te maken’. Het Spaarne Gasthuis investeert veel in menskracht en faciliteiten om grote klinische trials van de grond te krijgen, maar zonder onderzoekspartners zou de effectiviteit minder zijn. Houtenbos: ‘Zodra we ook maar denken over een mogelijk nieuw onderzoek, nemen we contact op met de beroepsvereniging, de farmaceutische industrie, de apotheek, het laboratorium en met interne afdelingen op wie we een beroep willen doen.’ Beeker: ‘De ondersteuning vanuit het Spaarne Gasthuis is heel goed, maar wij willen altijd meer. Tegelijkertijd geldt dat je moet uitgaan van je eigen kracht: vinden we dit geschikt voor ons ziekenhuis? Wij doen studies op vrijwel elk gebied van de oncologie, bijna altijd patiënt-gedreven, vaak in combinatie met uitgebreid medicatie- en laboratorium-onderzoek. Dan moet je weten of er voldoende capaciteit en menskracht is en of er voldoende patiënten zijn om te includeren. Zo niet, dan niet doen of op zoek naar samenwerking.’

Ook nuttig, maar minder in de focus van Beeker en Houtenbos zijn cohort-studies, vaak vakoverstijgend dataonderzoek naar ontwikkelingen, of bijvoorbeeld naar de kwaliteit van leven, zoals de Oncokompas-studie waarbij met een app naar beweging en levensstijl is gekeken. Beeker: ‘We doen vrij veel cohort-onderzoeken, maar dat zie ik meer als de softe kant van de wetenschap. Zeker belangrijk, maar onze kracht ligt vooral in het zoeken naar nieuwe determinanten, nieuwe biomarkers en therapieën.’

Wetenschappelijke waarde

Dat is geen sinecure, die kracht omzetten in een academische studie, aldus Beeker: ‘Als je met een idee voor een studie rondloopt, vergt het vaak maanden voordat je het concreet op papier hebt. Veel partijen toetsen het. En vanuit de beroepsgroep wordt kritisch gekeken naar de wetenschappelijke waarde. Terecht natuurlijk. Veel medicatie lijkt bijvoorbeeld op elkaar. Als middel A al uitgebreid onderzocht is, dan is het minder interessant om dat te herhalen voor middel B en C, die daar varianten op zijn.’

Op zo’n voortraject – benoemen, aanscherpen, optuigen – komt het aan. Die fase is cruciaal, maar dus ook tijdrovend. Met een nadeling bijeffect: op het moment dat het onderzoek gaat lopen, kan de onderzoeksvraag al enigszins verouderd zijn. Gelukkig komt dat niet vaak voor. Maar omdat onderzoeken vaak meerdere jaren lopen en de analyses en peer reviews (vóór publicatie) veel tijd vergen, kan het zijn dat tussen het eerste idee en de toepassing van de resultaten in de praktijk al snel vijf tot tien jaar zitten. Houtenbos: ‘Dat is helaas de praktijk. Onderzoek dat we nu doen, heeft niet volgende maand al betekenis voor de patiënt in de spreekkamer. Meer snelheid in het vormgeven, opzetten en reviewen van onderzoek zou zeer welkom zijn. En laten we eerlijk zijn: de Covid-19 pandemie heeft aangetoond dat sommige trajecten ook best sneller kunnen.’

Onderzoeks-gen

Tot frustratie leidt dit trage proces niet. Integendeel, wetenschappelijk onderzoek is juist één van de aantrekkelijke aspecten van het werk van de oncoloog, waarbij aangetekend dat niet elke oncoloog ook het ‘onderzoeks-gen’ in zijn of haar DNA heeft. Houtenbos: ‘Je moet nieuwsgierig zijn en onderzoek leuk vinden. Een patiënt includeren is tijdrovender dan de standaard behandeling toepassen.’ Beeker: ‘Dat maakt ons werk soms zwaarder. Bij ons zitten de studies in het hoofd, wij moeten collega’s blijven attenderen op de mogelijkheid om patiënten te includeren in een onderzoek. Dat is geen automatisme.’

Desondanks kijken beide oncologen met spanning uit naar de aanstaande start van twee nu al spraakmakende onderzoeken in het Spaarne Gasthuis. Beeker: ‘Het zijn onderzoeken naar specifieke antistoffen, één bij het non-hodgkin lymfoom en één bij prostaatkanker. We gaan een nieuwe therapie-manier testen. Kort gezegd gaan we kijken of we een kenmerk op de kankercel kunnen gebruiken om een satellietje te maken dat met behulp van een afweercel de kankercel kan vernietigen. Bij het prostaatkanker-onderzoek is het Spaarne Gasthuis het enige niet-academische ziekenhuis dat deelneemt, mede dankzij onze expertise op dit gebied, onze onderzoeksmethodiek en onze patiëntenpopulatie.’

Grote vorderingen

Hoewel de resultaten van deze twee onderzoeken nog lang op zich zullen laten wachten, betekenen ze ongetwijfeld weer een flinke stap vooruit in de behandeling of genezing van kanker. Het is een ongoing process, zogezegd. Houtenbos: ‘Er zijn de afgelopen jaren grote vorderingen gemaakt in het differentiëren van ziektebeelden en de behandeling. De ene vorm van borstkanker is echt de andere niet. We kunnen nu veel beter gepersonaliseerd te werk gaan.’ Toch een kleine kanttekening van Beeker: ‘De ontwikkelingen in ons vak gaan snel. Het is ook een zoektocht naar hoe we nieuwe ontwikkelingen en inzichten het beste kunnen inpassen in de behandelingsstrategie van de individuele patiënt. Dat betekent dat we moeten blijven investeren in meer wetenschappelijk onderzoek. En in meer snelheid bij het opzetten daarvan.’